Ethiek in de zorg: thuisverpleging rond de kerktoren verdwijnt

ARTIKEL | 2 min. read

De zorgsector komt dankzij de corona crisis opnieuw onder de aandacht. Dat er tekorten waren aan personeel in de zorg is al langer gekend, maar zijn we ook nog ethisch bezig binnen deze sector? Waar moeten we op letten om zeker te zijn van kwaliteitsvolle en betrouwbare thuisverpleging? En hoe weet je als verpleegkundige of zorgkundige dat je te maken hebt met een moneymaker die kwaliteit aan zijn laars lapt?

©Foto Danie Franco- person’s hands in shallow focus

Christine Van Cante uit Opwijk is sinds 2015 kwaliteitsmanager voor Mederi, een erkende dienst voor zelfstandige thuisverpleegkundige praktijken, met een ISO 9001 Lead Auditor certificaat op zak. Ze was gedurende 24 jaar verpleegkundige, de laatste 6 jaar daarvan zorgcoördinator bij het OLV te Aalst (campus Asse). Ze gaf in 2014 les aan de Bacheloropleiding verpleegkundigen op de Erasmushogeschool te Brussel. Door haar jarenlange ervaring als zelfstandig verpleegkundige en expert in het vak, zag ze het grote personeelstekort al langer, maar ziet ze daarnaast nu ook de ethische problemen toenemen.

Vijf organisaties (het Wit-Gele Kruis, i-mens, Mederi, ZorgConnect en de VBZV (Vlaamse Beroepsvereniging voor Zelfstandig Verpleegkundigen) tekenden op 10 februari 2022 een ethisch charter voor de thuisverpleging in Vlaanderen. Daarmee trachten ze de misbruiken in de sector aan te pakken. Een deontologische code was er niet, maar werd eerder informeel toegepast. Met het charter willen zij een grote stap vooruit op vlak van kwaliteit.

“Het charter zegt dat we ons extra gaan engageren om objectief, transparant en kwalitatief om te gaan en te communiceren met patiënten, medewerkers in de thuisverpleging, zorgpartners en de overheid”, benadrukt Van Cante. “Het ethische zorgondernemerschap zal de komende tijd een grotere rol gaan spelen.”

Onethische praktijken gemeld

“Tijdens de eerste coronagolf werden huisartsen benaderd door een commerciële groep die in ruil voor het uitdelen van mondmaskers en handschoenen patiënten trachtten te krijgen”, zegt Van Cante.

“Thuisverpleegkundigen, die al jaren werkzaam zijn in instellingen, melden ons dat commerciële thuisverplegingsgroepen afspraken maken met de directie van die instellingen. Zij kunnen dan kiezen om zich daarbij aan te sluiten ofwel de samenwerking te stoppen. Het probleem hierbij is dat de verpleegkundigen hun werk niet meer onafhankelijk kunnen doen, maar die moeten dan volledig de handleiding van die commerciële praktijken volgen. Je bent dus niet meer echt zelfstandig en kan je naam van je eigen praktijk niet behouden. Wil je deze groep verlaten, dan moet je een grote som geld neerleggen. Het is dus uitkijken geblazen”, vertelt Van Cante. “Een gevolg daarvan is, en dat horen we dan nadien van familieleden van de zorgbehoevenden, dat de zorg niet meer dezelfde kwaliteit heeft. Een voorbeeld daarvan is dat mensen soms gedurende de hele nacht dezelfde bevuilde pamper aanhouden. We horen soms echt mensonterende toestanden”, aldus Van Cante.

‘Jammer genoeg zijn er commerciële thuisverplegingsgroepen die grote sommen geld neerleggen om patiënten te hebben of om bestaande praktijken op te kopen’

Rode vlaggen

Van Cante: “Het probleem is dat je als buitenstaander aanvankelijk geen verschil opmerkt tussen correcte en onethische thuisverpleging. Deze laatste maken naar buiten toe reclame dat ze heel menselijk zijn, maar daarachter schuilt een niet zo ethisch plan. Een betrouwbare verplegingspraktijk is meestal aangesloten bij de VBZV, en je kan best altijd eerst je mutualiteit bevragen als je thuisverpleging nodig hebt. Online zoeken naar thuisverpleging raad ik eerder af.”

Volgens Van Cante is in de manier waarop commerciële thuisverplegingsgroepen de zorg doen en factureren een verschil merkbaar. Men gaat bijvoorbeeld niet te veel langs bij patiënten, en als ze extra langs moeten gaan, betaal je als patiënt extra. “Ze zetten zo weinig mogelijk mensen in, maar profiteren wel van de riziv-vergoedingsnomenclatuur om op die manier zoveel mogelijk winst maken.”

Gedaan met papieren schriftjes

Om de samenwerking tussen verschillende zorgverleners transparanter en makkelijker te maken, moet nu de ID verplicht ingelezen worden. Daar wordt alle toegediende zorg verzameld. Alle beroepen in de gezondheidszorg, ook de niet-conventionele moeten zich daaraan houden. Iedereen die met patiënten werkt is verplicht een patiëntendossier bij te houden. Dat gaat elektronisch en is overal hetzelfde (zoals het rijksregisternummer, e-mail, doorverwijzingen, antecedenten, observaties (voor verpleegkundigen), …). “Iedereen die in de zorg werkt gaat ook een portfolio moeten bijhouden – dit is een register waar je onder andere levenslang leren opslaat. Er moet ook instaan met wie je samenwerkt. Dat gaat publiek consulteerbaar zijn. Men is dat momenteel nog volop aan het uitwerken, maar is nu nog niet in voegen. Binnenkort is het dus gedaan met de papieren schriftjes”, zegt Van Cante.

“De betaling voor thuisverpleegkundigen moeten ook correct zijn. Die worden voornamelijk vergoed vanuit de ziektevergoeding. Bij opdrachten voor tijdelijke ondersteuning bij bijvoorbeeld laboratoria, woonzorgcentra en huisartsen worden veel te vaak lage vergoedingen gehanteerd. Deze moeten kostendekkend zijn – zo gaat die vergoeding via het charter naar 47,25euro/uur”, vertelt Van Cante nog.

Het charter voor ‘Ethisch zorgondernemerschap in de thuisverpleging‘, kan je hier nalezen.

Dit artikel kwam tot stand zonder enige financiële ondersteuning.

Vond je het interessant? Dan kan je dit artikel waarderen meteen vrije donatie via crowdfunding.

Crowdfunding Koalect

Naar de website

Op de hoogte blijven via de nieuwsbrief? Schrijf je hier in.

Wil je bijdragen en mee het nieuws uit de streek diverser maken? Dat kan via Koalect crowdfunding of doneren via QR – Paypal.

Crowdfunding Koalect

Donaties via QR – Paypal

De mens achter een beleidsmaker

INTERVIEW | 3 min. read

Om een degelijk beleid te kunnen maken is het belangrijk een duidelijk zicht op, en voeling te krijgen met de realiteit van mensen die actief zijn op de werkvloer. Beleid lijkt een abstract begrip en soms bestempelen we het zelfs als ‘onbetrouwbaar’ of ‘beslissingen die gemaakt worden vanuit een ivoren toren’. Als burger weten we meestal ook niet wat een beleidsmaker drijft, wat die precies doet en met welke moeilijkheden die te maken krijgt.

Misflits sprak met Erik Van den Begin, een beleidsmaker, oorspronkelijk afkomstig uit Brussel en recent ‘op pensioen’, die geëngageerd was op verschillende fronten met een grote liefde voor het welzijn van de meest kwetsbaren uit onze maatschappij. Hij was gedurende 20 jaar directeur-beleidscoördinator voor de provincie Vlaams-Brabant, beleidsadviseur bij Het Agentschap Opgroeien (het vroegere Kind en Gezin) in Brussel en is nog steeds actief voor Oxfam wereldwinkels en Oxfam België.

©Foto Miguel Aguirre– 3d render. Chess board and pieces.

Je hebt een gevarieerde carrière achter de rug in leidinggevende functies en als mede-beleidsbepaler?

“Dat klopt. In 1998 ben ik vanuit de streekintercommunale overgestapt naar de nieuwe provincie Vlaams-Brabant (toen provincie Brabant verdeeld werd onder Vlaams, Waals-Brabant en Brussel Hoofdstedelijk gewest). Er werd toen voor de nieuwe provincie ook een nieuw leidinggevend kader samengesteld, waar ik deel van uitmaakte. Ik werkte er verder rond de beleidsdomeinen personen met een handicap en armoede. Na twee jaar ben ik directeur sociaal beleid geworden met een heel breed scala aan bevoegdheden en opdrachten zoals; welzijn en gezondheid,  integratie & inburgering, gelijke kansen, toegankelijkheid, en wonen en ontwikkelingssamenwerking. We hebben toen vooral het verschil gemaakt door het opzetten van pilootprojecten rond screening van borst- en baarmoederhalskanker.”

Dat zijn veel bevoegdheden tegelijk. Waar lag voor jou de belangrijkste focus?

“Het beleid rond integratie van Belgen met een migratieachtergrond en het onthaal – en inburgeringsbeleid van nieuwkomers is het sterkst gegroeid. We hebben toen onze rol als provinciaal bestuur opgenomen om dat centraal te organiseren, omdat gemeenten het niet zagen zitten om dat allemaal alleen te trekken. Uiteindelijk waren hiervoor een 60-tal medewerkers actief. In 2015 wou Vlaanderen dit voor alle provincies gelijktrekken en een eigen beleid voeren. Alle initiatieven zijn toen via een decreet verplicht overgenomen door wat je vandaag kent als Het Agentschap integratie en inburgering. We waren hiervoor geen vragende partij, want onze werking zat goed in elkaar en was degelijk georganiseerd. In 2018 zijn dan alle persoonsgebonden materies zoals welzijn en gezondheid en sport en cultuur ook overgedragen naar Vlaanderen.”

Ben je om die reden overgestapt naar een functie als beleidsadviseur Kind en Gezin voor Brussel?

“Ja, ik kon wel blijven binnen de provincie Vlaams-Brabant, maar aangezien er voor het welzijn voor de meest kwetsbare personen uit onze maatschappij nog zoveel te doen was, heb ik gekozen om naar Kind en Gezin Brussel te gaan, met de integratie van jongerenwelzijn (nu Het Agentschap Opgroeien). Men zocht daar een adviseur die het beleid kon ondersteunen, wat niet eenvoudig was gezien de politiek ingewikkelde context van Brussel. Je hebt daar een lasagne aan bevoegdheden (44 openbare besturen tegenover bijvoorbeeld in Antwerpen slechts 4).”

Door deze stap te nemen, ging hij ook terug naar zijn Brusselse roots, waar hij geboren en getogen is. In zijn jonge jaren was hij er actief in het jeugd- en cultureel werk met onder meer de uitbouw van een jeugdhuis. Na zijn Leuvense jaren is Van den Begin in de rand (Asse) gaan wonen.

Ook al woon ik er al lang niet meer, ik blijf Brussel toch steeds opzoeken. Het is de meest kosmopolitische en democratische stad ter wereld, die altijd blijft boeien.

Hoe begin je concreet aan zoiets als nieuwe beleidsadviseur? Wat komt daar allemaal bij kijken?

“Mijn focus bij Het Agentschap Opgroeien lag voornamelijk op de uitbouw van een geïntegreerd gezinsbeleid. Lokale teams die op het werkterrein actief zijn, geven preventieve consultaties en volgen baby’s en hun gezin verder op. Daarnaast zijn er een aantal andere organisaties actief waaronder het Huis van het kind. We botsten op de complexe armoedeproblematiek in Brussel. Slechts 2 à 3 jaar geleden vertelden de cijfers ons dat er ongeveer 1000 kinderen op straat leven in Brussel. Brussel mag dan wel één van de rijkste steden in de wereld zijn, ook in de rand is tot op vandaag nog steeds een grote tegenstelling tussen arm en rijk.”

“Bij de opstart zelf kreeg ik carte blanche. Ik bekeek vooraf alles wat er zich afspeelde op het terrein; zowel een overzicht van alle uitdagingen als wat Het Agentschap Opgroeien er in zou kunnen betekenen. Een grondige aanpak ontwikkelen rond de problematiek van deze kwetsbare kinderen was mijn eerste opdracht, net op het moment dat het via de pers sterk naar voor kwam. We hebben toen met 9 andere organisaties een methodiek ontwikkeld die werkbaar is voor de Brusselse gezinnen met complexe problematieken – hetgeen de naam Gezinsondersteuning Ketjes BXL kreeg. De hulpverleners begeleiden hier intensief én op maat de gezinnen in moeilijkheden . Er worden geen pampers of geld gegeven, maar samen structureel met de gezinnen aan oplossingen gewerkt. Dit is verder uitgebouwd via het CAW (Centrum voor Algemeen Welzijnswerk) Brussel. Door de eigen terreinwerkers, maar ook door anderen uit het werkveld, werd bevestigd dat die methodiek heel goed werkt. Alleen – en dat is tot op vandaag een schrijnend probleem – is het een klein team van slechts enkele mensen, wat veel te weinig is om die problematiek grondig aan te pakken, want we spreken hier toch wel over honderden gezinnen.”

©Foto afscheid dienst welzijn en gezondheid bij de provincie Vlaams-Brabant.

“Om als Vlaams netwerk in Brussel effectiever te zijn in het aanbieden van een goede kwalitatieve dienstverlening, hebben we een reorganisatie voorbereid. Op de valreep, net voor ik op pensioen ging in december 2021, keurde de Vlaamse regering hierrond een nieuwe regelgeving goed.”

 De cijfers gaan over enkele jaren geleden, hoe is dat vandaag?

“In het verlengde van dat initiatief is nog een onderzoekstraject gerealiseerd, samen met het kenniscentrum Welzijn Wonen Zorg Brussel met diepte-interviews en rondetafelgesprekken met gezinnen en hulpverleners uit het werkveld. Dat is uitgemond in een digitale conferentie in januari 2021, waar er beleidsaanbevelingen zijn geformuleerd, die ondertussen ook gepubliceerd en ruim verspreid werden, ook naar de bevoegde ministers. Dit ging over duurzame huisvesting, het toegankelijker maken van zorg en ondersteuning en het toetsen van kinderrechten aan beleidsbeslissingen en regelgeving. Daarnaast werkt Gezinsondersteuning ketjes BXL dapper verder. Vanuit Vlaanderen koos men er intussen ook voor om in alle gemeenten lokale gezinscoaches in te zetten. Dit initiatief is pas recent uitgerold en jammer genoeg is men hierbij opnieuw begonnen met experimentele pilootprojecten.”

Terwijl de ontwikkelde methodieken reeds bewezen hebben dat ze goed werken, heeft men vanuit Vlaanderen enkel financiële middelen ingezet op het wetenschappelijke luik in plaats van op het terrein.

“Ze hadden kunnen kiezen om de werking van de sociale diensten uit te bouwen om meer te focussen op preventie in plaats van achter de feiten aan te lopen. Het Vlaamse beleid neemt op zich wel goede initiatieven, maar nog teveel bovenop en naast mekaar. Wanneer de middelen zo beperkt zijn, moet men dringend toch meer fundamentele keuzes gaan maken. ” 

Is de sector op deze manier dan niet gedoemd om steeds ter plaatse te blijven trappelen? Het is toch niet te verwonderen dat mensen het niet meer zien zitten om in deze sector aan de slag te gaan?

“Als beleidsmakers kunnen we niet anders dan optimistisch te blijven, keihard blijven te werken en strijden. Het is een gekend verhaal dat er eerst iets heel ergs moet gebeuren om een grote ‘wake up call’ te krijgen, zoals recent het vreselijke voorval van de overleden baby in de crèche van Mariakerke. Persoonlijk weet ik wel zeker dat al de betrokken medewerkers en het management, die hun werk doen met hart en ziel, alles uit de kast zullen halen om te voorkomen dat zoiets ooit nog kan gebeuren. Maar je moet ook structureel het hele ‘kinderopvang’ gebeuren herzien met een bredere kijk. En je moet financiële prioriteiten stellen om de sector een grote boost te geven. Daarnaast moet de overheid ook structureel meer mogelijkheden voorzien om de ouders de kans te geven langer de eigen baby op te kunnen vangen. De eerste 1000 dagen zijn voor baby’s immers cruciaal.”

Is het niet moeilijk om dit werk los te laten nu je op pensioen bent en wat ga je verder nog doen?

“Ik heb mijn werk van de ene dag op de andere niet zomaar achtergelaten. Het Brusselse beleid wordt verder opgevolgd door een themateam waar alle betrokken diensten inzitten: kinderopvang, gezinsondersteuning, jeugdhulp en het groeipakket. Een beleidsmedewerker nam een deel van mijn taken over, maar ik ben niet één op één vervangen. Ik mis het wel, maar ik ga me nu terug meer engageren bij Oxfam-wereldwinkels en Oxfam-België en ondertussen ben ik ook bestuurder bij de sociale onderneming PIN (Partners In Integratie). Als lid van de algemene vergadering van het Centrum Algemeen Welzijnswerk in Brussel behoud ik ook nog de link met mijn vorige werk.”

Daarnaast heeft Van den Begin zich opgegeven als buddy voor niet-begeleide minderjarige vluchtelingen die in een opvangcentrum verblijven. Hij gaat hier als vrijwilliger een paar keer per maand vrijetijdsactiviteiten doen met die jongeren. “Dit geeft me veel energie en houdt me jong”, vertelt hij nog.

Dit interview kwam tot stand zonder enige financiële ondersteuning.

Vond je het interessant? Dan kan je dit artikel waarderen meteen vrije donatie via crowdfunding.

Crowdfunding Koalect

Naar de website

Op de hoogte blijven via de nieuwsbrief? Schrijf je hier in.

Wil je bijdragen en mee het nieuws uit de streek diverser maken? Dat kan via Koalect crowdfunding of doneren via QR – Paypal.

Crowdfunding Koalect

Donaties via QR – Paypal

Innovatie: een trendy woord, maar wat is dat nu eigenlijk?

Artikel | 3 min. read

Er gaat geen dag voorbij of je hoort allerlei woordcombinaties met innovatie. Terwijl enkele jaren geleden het woord ook wel al viel, is het nu een must om innovatief te zijn wil je mee kunnen met de nieuwe tijd. De Vlaamse overheid promoot het voor ondernemingen en organisaties, maar hoe innoveren zij zelf?

We steken hiervoor ons licht op bij Martin Ruebens, een Assenaar die sinds 1990 werkt voor de Vlaamse overheid en doorheen zijn hele loopbaan rond trajecten werkt die vernieuwing en transformatie brengen. Hij zet in zijn manier van denken en leiding geven niet alleen een innovatieve, maar ook een eerlijke bril op.

©Foto Andreas Berheide – New ideas or transformation concept with crumpled paper balls and a crane.

“We gaven vóór de coronacrisis vooral aandacht aan het digitale innoveren, zoals het invoeren van nieuwe technologieën, nieuwe digitale communicatiemiddelen en de manier waarop we onze processen en diensten ontwerpen en vorm geven”, zegt Ruebens, die sinds september 2020 projectleider is van het netwerk ‘innovatief beleid’ bij de Vlaamse overheid. Eerder was hij secretaris-generaal van het departement kanselarij en bestuur, het kabinet dat het dichtst staat bij de minister-president.

De laatste vijf jaar heeft hij binnen dat departement vooral gewerkt rond leiderschap en innovatie. Het idee was om af te stappen van een hiërarchisch systeem en over te gaan op zelfsturende teams. In 2019 was er bij de regeringswissel ook een wissel van administraties en werd het departement opgeheven. Er werd hem toen gevraagd om een traject rond innovatie op te starten. Die rol neemt hij tot op vandaag op zich. Die vraag hing ook nauw samen met de pandemie, die geleerd heeft dat zowel de overheid als de burger ook niet altijd weten hoe om te gaan met dergelijke crisissen.

“We moeten durven afstappen van onze huidige manier van denken en leven, willen we opgewassen zijn tegen de hindernissen die nog voor ons liggen”, geeft Ruebens toe, “een eerste stap is toegeven dat niemand het eigenlijk weet, maar daar is niet iedereen zomaar toe bereid. Wanneer je alles op voorhand in plannen vastlegt, is er weinig ruimte om snel te schakelen. Je moet een zekere flexibiliteit inbouwen. Dat gaat makkelijker als je een innovatieve bril opzet.”

‘We moeten niet alleen leren uit het verleden, maar ook uit de toekomst’

“Ondanks tientallen rapporten die ervoor gewaarschuwd hebben dat we wereldwijd meer en meer te maken zullen krijgen met dergelijke crisissen, was men er toch niet op voorzien”, zegt Ruebens. Elke administratie binnen de Vlaamse overheid heeft zijn crisisbeheersplan waarin verschillende scenario’s worden beschreven worden. Dat zijn meestal plannen die in functie staan van dingen die intern verkeerd kunnen lopen. Maar nu had men plots te maken met een virus als externe factor. “Op politiek vlak laat men zich meestal drijven door de waan van de dag. Het vertrouwen in de overheden heeft daardoor een diepe deuk gekregen. Men moet als overheid snel kunnen schakelen in dergelijke crisissen.”

Terwijl er volgens Ruebens intern echt hard gewerkt wordt aan oplossingen, is dit niet zichtbaar voor de burger. De administraties van de Vlaamse overheid zijn omvangrijk en op vele domeinen tegelijk actief. Volgens Ruebens zijn er nog veel behoudsgezinde medewerkers, maar ook heel wat gedreven en gepassioneerde mensen die mee zijn met de tijd en die volgens innovatieprincipes willen werken. “Het probleem is dat onze mensen binnen de eigen administratie wel al innovatief bezig zijn, maar daarin vaak eenzaam opereren. We willen hen niet alleen met elkaar in contact brengen zodat ze elkaar kunnen inspireren, maar ook om zich sterker te voelen zodat ze binnen de eigen entiteit aan de slag kunnen gaan”, vertelt hij nog.

Ruebens haalt voor zijn innovatieve ideeën ook inspiratie uit Finland en verwijst naar een opmerkelijke aanpak van een humble governement. Dit is een nederige benadering van beleidsvorming die de regering kan helpen bij het opbouwen van echt langetermijnbeleid bij het aanpakken van ‘nare problemen’, waar men volledig afstapt van de illusie van een top-down sturing.

Om aan innovatie te doen moet je volgens Martin Ruebens verder denken dan enkel aan het verbeteren van een product of dienst. Hij geeft ons nog vier belangrijke kenmerken mee die essentieel zijn bij het innoveren en ook doorgetrokken kunnen worden naar bedrijven, organisaties en op persoonlijk vlak:

1.      Creatief en nieuwsgierig luisteren naar ideeën die in het werkveld zitten.

Je verzamelt bottom-up ideeën. Je spreekt en werkt samen met mensen die in het werkveld staan. Innoveren in de zorg bijvoorbeeld, betekent dat je moet luisteren naar de mensen die dagelijks  in de zorg staan. Als beleidsmaker moet je nieuwsgierig zijn naar de ideeën van deze mensen; de bedoeling is dat je minder gaat werken vanuit concepten en theoretische kaders. De huidige manier van beleid maken wordt daarmee uitgedaagd.

 2.      Leren van en experimenteren met het idee.

Je legt de oplossing van een maatschappelijk probleem of een dienstverlening op voorhand niet vast. Door het experimenteren met verschillende oplossingen tegelijkertijd kom je snel tot het inzicht wat er wel en niet lukt.

 3.      Je vertrekt niet alleen vanuit je eigen wijsheid, maar je zet ook een empathische bril op.

Je neemt de wijsheid van de doelgroep mee en houdt hiermee rekening in je beleidsbepaling. Je gaat met de blik van buiten naar je eigen organisatie kijken. Een doelgroep kan meedenken in het zoeken naar oplossingen van problemen in de samenleving. Een empathische bril opzetten kan er ook voor zorgen dat je soms moet behouden wat er is. Zo kan je mee bepalen hoe bepaalde beleidsthema’s over de jaren heen kunnen bewegen. We moeten niet alleen werken met de oplossingen van vandaag, maar ook kijken naar mogelijke toekomstige evoluties en welke prognoses je kan verwachten. Niet alleen leren uit het verleden, maar dus ook leren uit de toekomst. Als overheid kunnen we dat laatste nog niet zo goed.

4.     Niet alleen de overheid is aan het woord.

Ze gaan in de plaats daarvan een partnerschap aan met verschillende partijen om te kijken hoe samen een probleem opgelost kan worden.

Dit artikel kwam tot stand zonder enige financiële ondersteuning.

Vond je het interessant? Dan kan je dit artikel waarderen met een vrije donatie via crowdfunding.

Crowdfunding Koalect

Naar de website

Op de hoogte blijven via de nieuwsbrief? Schrijf je hier in.

Wil je bijdragen en mee het nieuws uit de streek diverser maken? Dat kan via Koalect crowdfunding of doneren via QR – Paypal.

Crowdfunding Koalect

Donaties via QR – Paypal

Over houvast: een jonge monnik in wording vertelt

INTERVIEW | 5 min. read

Je hoort niet vaak meer dat iemand het klooster ingaat. Nochtans is zoeken naar zichzelf en het leven geven aan een hoger doel iets van alle tijden. De zoektocht naar zingeving zit de laatste jaren in de lift. Ook meer en meer jonge mensen gaan op zoek. Het overaanbod aan mogelijkheden om zich aan te sluiten bij spirituele groeperingen, geloofsgemeenschappen of religies kunnen ervoor zorgen dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Naast de vele doemverhalen bij een sekte te zijn beland, komen er af en toe ook positieve ervaringen bovendrijven.

Dries Martens, geboren te Leuven en getogen in Asse (Vlaams-Brabant) werd afgelopen jaar dertig, een leeftijd waarbij de meesten zich settelen. Hij koos een heel ander pad en deelt een stukje van zijn weg en keuze om in een Zen boeddhistisch klooster in Frankrijk te gaan wonen.

©Foto Misflits – Dries Martens vertelt over zijn weg naar Zen,
een stroming binnen het boeddhisme

Je bent geboren in Leuven en dan naar Asse verhuisd, hoe heb je voor jezelf een leven kunnen uitbouwen?

“Ik ben geboren in Leuven en dan vrij snel naar Asse verhuisd, omdat mijn moeder daar werkte. Mijn ouders, die beiden arts waren, zijn gescheiden als ik anderhalf jaar was. Ik ben grotendeels door de vrouwen in mijn leven – moeder, grootmoeder – opgevoed en begeleid. Gescheiden ouders hebben is nu vrij standaard, maar dat was in de jaren ’90 nog niet het geval. Mijn moeder ging kangoeroewonen met mijn grootouders, wat ook een uitzondering in die tijd was. We hadden dus een vrij authentieke manier van leven. Als kind van gescheiden ouders was het voor mij belangrijk om structuur te hebben. Om die reden heb ik zelf altijd veel gehad aan leraars, zowel op school als daarbuiten. Ik was actief in een lokaal theatergezelschap en daarnaast ook in een schrijversgezelschap in Antwerpen. Wat me altijd heeft geprikkeld is hoe totaal verschillende facetten van iemand naast elkaar kunnen blijven bestaan. In mijn eigen leven heb ik die vele kanten van mezelf vaak ervaren, maar dat heeft me uiteindelijk versnipperd achtergelaten.”

Je had op jonge leeftijd de gedachte om priester te worden. Hoe is dat tot uiting gekomen?

“Ik voelde me al vrij vroeg aangetrokken tot het spirituele. Om het conflict van de versnippering die ik voelde op te lossen, dacht ik er rond mijn 17 jaar aan om priester te worden, ook omdat ik sterk gelovig was. In een kerk is het stil en hoef je je niet te bewijzen tegenover anderen. Maar ik had ook wel het gevoel dat die vorm niet helemaal paste bij mij. Ik voelde me ingesloten in een dogma dat wel veiligheid gaf, maar niet het antwoord op de actuele problemen van die tijd. Als priester kan je mensen samenbrengen – zonder dat het om jezelf draait, en dat voelde wel juist. Ook de stilte neemt dan een centrale plaats in je leven. Ik las in die periode ook het boek ‘De wereld van Sofie’, omdat ik wou weten wat de wereld dreef tot waar ze op dat moment stond. Ik graag mijn steentje bijdragen aan de fundamenten van een gezonder systeem. Poëzie was daar voor mij een natuurlijke expressievorm van, maar dieper voelde ik dat ik meer mensen wou helpen.

‘Er is een open bol, ik ben een mens en ik heb jou nodig om te overleven’

Welke leraars hebben jou het meest beïnvloed?

“Ik heb steeds het geluk gehad om leraars te ontmoeten met autoriteit zonder dat zij daar misbruik van maakten. Zo leerde ik dat het normaal is dat anderen sterker kunnen zijn dan je zelf bent. Volgens mij is er in deze tijd hoge nood aan betrouwbare autoriteitsfiguren, zowel mannen of vrouwen. Eén van mijn leraars op de August De Boeck Kunstenacademie in Asse was Lieve Van Mileghem. Voor mij betekende zij een veilige plaats waar ik mezelf kon zijn en me niet voortdurend hoefde te bewijzen. De professionele weg die zij bewandelde, heeft me geïnspireerd om haar voetsporen te volgen. Voorheen had ik filosofie gedaan, maar ik was dat moe. Ik ben dan samen met een vriend acteerlessen gaan volgen bij Herman Teirlinck, Hoger instituut voor Dramatische Kunst. Die intensieve opleiding heb ik met vallen en opstaan afgemaakt. Ik had echter niet het gevoel dat mijn ziel daar beter van werd.“

©Foto Samuel Austin Unsplash – Sky above.Earth Below. Peace within.

“In diezelfde periode had ik veel rebellie tegen al wat mannelijke autoriteit was. Ik had in feite alles, kende geen armoede, maar toch was ik niet gelukkig. Dit gevoel van ongelukkig zijn kwam grotendeels door het versnipperd gevoel binnenin. Ik had nood om een echte verbinding te voelen met andere mannen (leren vertrouwen, leren samenwerken, …). Ik denk dat heel wat jonge mannen vandaag ook nood hebben om zichzelf te ankeren en echt te leren van een figuur die sterker is dan zichzelf. Dit kan je doen door samen te zijn en te gaan werken met andere mannen en bijvoorbeeld een stiel met de handen aan te leren. Ik heb geluk gehad dat ik dat met mijn vader kon doen. Rond mijn twintigste voelde ik de noodzaak om dichter bij hem te zijn. Ik ben toen voor een tijd bij hem gaan wonen.”

Ik had in feite alles, kende ook geen armoede, maar toch was ik niet gelukkig.

Dries woont fulltime in het Kanshoji Zen Boeddhistisch klooster in Frankrijk (Dordogne). Kanshoji betekent letterlijk ‘de tempel van het licht van mededogen‘.

Het stereotiepe beeld van iemand die in het klooster gaat, is van een oude man of non. Jij bent net het tegenovergestelde – jong en dynamisch. Hoe kwam je ertoe om daarvoor te kiezen?

“Ik had oorspronkelijk het idee dat een monnik of priester een eenzame persoon was die veel alleen is en zich van alle geneugten van het leven ontbeert. Zo is dat binnen onze gemeenschap helemaal niet. Je kan bijvoorbeeld perfect trouwen en een gezin stichten, hoewel dat niet eenvoudig te versmelten is met het engagement dat je aangaat. Je streeft voortdurend bewust naar een evenwicht voor alle partijen. In een gezonde relatie kan er geen sprake zijn van egoïsme.”

Je bent in contact gekomen met de Zen stroming, waar je tot op vandaag actief bent en woont. Wat maakt dit anders dan een ‘sekte’?

“Het probleem bij gemeenschappen met sektarische kenmerken is dat dit vaak ‘geleid’ wordt door mensen die hun eigen plek niet vinden en zich machteloos voelen. Door leider of goeroe te worden, eigenen zij zich een machtspositie toe die ze makkelijk kunnen misbruiken. Vanuit die positie kunnen ze zich zekerder voelen en is een andere mens ondergeschikt. Als zoekende en kwetsbare persoon moet je goed uitkijken om niet uitgebuit te worden door zo iemand. De Kanshoji gemeenschap waar ik leef functioneert helemaal anders. Het is een plaats waar je als één gemeenschap samen met andere mensen op kan bouwen, omdat de leraars betrouwbaar zijn. Leraars blijven zelf ook leerling en staan zelf ook onder begeleiding van een leraar. Mijn meester is 77 jaar en zijn meester is op zijn beurt 95 jaar oud. Ook die man van 95 jaar heeft iemand die hem opvolgt. Er is dus niet één persoon die helemaal bovenaan staat en die geen verantwoording meer heeft af te leggen. Zolang er verantwoording afgelegd kan worden, kan machtsmisbruik moeilijker de bovenhand krijgen.”

©Foto Myôshin Roberto Di Giacomantonio -Kanshoji Zen Boeddhistisch Klooster
(Dries midden bovenaan)

“Ik was op zoek naar eenheid en een betrouwbare basis waar ik mijn leven op kon richten. In het begin van mijn studententijd ben ik een Dojo (een plek om samen zazen te zitten – de originele meditatie methode van Boeddha) tegengekomen. Ik heb toen geluk gehad. Bij Zen is er geen nood aan een regerend dogma waarin je moet geloven. Een leraar creëert condities zodat jij zelf leert zien. Er is niemand die jou gaat zeggen wat je moet doen of hoe je de dingen moet zien, maar je krijgt wel opmerkingen als je iets doet dat onaangenaam is voor de mensen rondom. Het essentiële werk dat je daar doet, is de blik naar binnen richten en van daaruit leren kijken. Iedereen kan Boeddha zijn, je hoeft daarvoor geen priester te zijn.”

Dries ervaart het niet altijd als aangenaam om daar te zijn, omdat het vaak confronterend is voor het ego. Het geeft wel de mogelijkheid om zichzelf voortdurend in vraag te stellen en hij leert elke dag bij over zichzelf en zijn omgeving.

“Ik word gedwongen om open te blijven, hetgeen voor mij een oncomfortabele positie is. Ik ben eigenlijk een persoon die van zekerheden houdt, maar één voor één leer ik die loslaten.”

Hoe (over)leven jullie financieel binnen deze gemeenschap?

“Het gebouw waar we wonen was een oud Jezuïetenklooster dat de afgelopen twintig jaar met de hand is gerenoveerd. De gemeenschap werkt op giften, maar dat geven gaat niet perse over geld – je geeft het beste van jezelf en wat je kan. In gemeenschap leven betekent dat we elkaar kunnen aanvullen in hetgeen waar we zelf goed in zijn. Ik ben 30 jaar en in een goede gezondheid, dus ik maak me op dit moment vooral nuttig met mijn fysieke kracht. De afgelopen vijf jaar heb ik vooral gebouwd, hout getransporteerd en fysiek zware taken op mij genomen. Iemand die ouder is heeft misschien wel meer centen, maar kan ook een ceremoniële functie innemen. Anders dan in de maatschappij, worden oudere mensen hier niet weggestopt in een aparte plaats, maar zijn zij een belangrijk onderdeel van de gemeenschap. Zij hebben vaak een zekere gratie en wijsheid. Dat is dan hun gift.”

“Mensen van overal kunnen er komen mediteren en degene die willen, kunnen daar voor hun verblijf betalen (zoals je voor een hotel zou doen). Dat zijn meestal mensen die meditatie een belangrijke plaats in hun leven hebben gegeven. Van de Franse staat moet ik elke maand 300 euro betalen voor mijn verblijf, maar vanuit de gemeenschap wordt dat niet verwacht.”

Ik ben vrij om te doen wat ik wil, maar ik wil daarmee geen lijden veroorzaken, niet bij mezelf en niet bij de ander. Meer genot voor mij betekent niet perse ook meer genot voor de ander.

Hoe leeft het aspect relaties en seksualiteit als Zen boeddhist?

“Zen en het dagelijkse leven zijn niet gescheiden, je neemt het mee in alles wat je doet. Je geeft al je aandacht aan waar je op dat moment mee bezig bent. Er is veel mogelijk, zolang je je er maar niet aan vasthecht. Dat wil zeggen dat je een avontuur kan beleven, maar dat je dat niet vastlegt voorheen en ook niet vasthoudt nadien. De belangrijkste wetten waar het boeddhisme naar leeft, zijn impermanentie en interafhankelijkheid. Alles gaat voorbij, maar je bent wel op elkaar aangewezen. Daarnaast zijn er een aantal basisvoorwaarden zoals niet liegen en niet aanzetten tot liegen, niet stelen, geen ongezonde seksualiteit, geen intoxicatie. In het boeddhisme wordt niet gezegd dat je geen seks mag hebben of dat het fout is. Het wordt wel als een mogelijke verslaving genoemd, wanneer het verlangen gevoed wordt en er voortdurend meer nodig is. De liefde ontdekken samen met een andere persoon kan perfect binnen deze gemeenschap, zolang je het niet als een vaststaand gegeven beschouwt. Ik kan dus bijvoorbeeld iemand heel graag zien en dan de volgende keer niet weten of dat ook nog zo zal zijn. Het wordt voortdurend afgetoetst: ‘Is het gezond voor beiden – ben ik niet enkel bezig mijn eigen pleziertjes te bevredigen, enz …’ Ik ben dus volledig vrij om te doen wat ik wil, maar zonder daarmee lijden te veroorzaken; niet bij de ander en ook niet bij mezelf. Mijn beeld op relaties is door deze zienswijze grondig veranderd.”

Veel mensen leven angstig en durven vaak ook niet loslaten, ook al voelen ze zich ergens niet helemaal goed bij. Is dat voor een Zen boeddhist dan makkelijker?

“Als je werkelijk de weg van Zen bewandelt, dan kan er niet veel meer op de planning staan. Of het nu gaat over werk, liefde, carrière of wat dan ook. Je moet heel wat innerlijk werk verrichten om makkelijker te kunnen loslaten, maar veel mensen zijn daar niet toe bereid. Verslaving en hechting nemen in de wereld nu zichtbaar een digitale proportie aan. Het lijkt alsof je moet vasthouden om niet ineen te storten, maar ineen storten is niet altijd verkeerd. We zouden ook kunnen leren om levend te sterven, elke dag opnieuw, en een betere versie worden van onszelf.”

“Ik heb een hele mooie positie achtergelaten in de academie. Ik deed dat omdat ik het gevoel had dat ik in de diepte niet echt anderen kon helpen. Ik voelde me niet vaardig genoeg als beoefenaar van wat ik aan het doen was. Ik heb mijn mijn schrijverscarrière losgelaten die ik aan het opbouwen was. Ik kon wel dingen zeggen die ik had gehoord of had geleerd van andere mensen, maar ik was die zelf niet aan het doen. Ik had het gevoel dat ik die positie niet eerbaar kon innemen en heb er toen afstand van gedaan. Ik had het gevoel dat ik bij Kanshoji  24 op 24 uur veel meer kon doen; hout draaien, schaaltjes maken, elektriciteit maken, mediteren, … . Ik heb nu alle vormen die ik maar kan zijn en daar voel ik me goed bij. Een monnik is iemand die belichaamt wat hij zegt en ik ben momenteel in opleiding daar naartoe.”

Zoals men zegt ‘Walk the talk’?

“Eerder walk without the talk … .Ik sta misschien nog niet zo ver in mijn realisatie. Maar ik heb wel het geluk dat ik in een gemeenschap leef waar iedereen kan inschatten waar hij of zij staat. Terwijl meditatie misschien eerder een soort hobby was, is dat nu meer vanuit een dieper gevoel. Mensen die echt op zoek zijn naar zichzelf kunnen op elk moment beslissen wat ze gaan doen met hun leven. Er is een grote nood aan diepgang, maar ik heb de indruk dat er niet zoveel kanalen zijn die beschikbaar zijn om daar echt een antwoord op te bieden en die ook zuiver blijven. Het is niet de bedoeling dat je naar een plek zoals hier toegaat om zelf spreker te worden om bijvoorbeeld voor een groot publiek een TED talk te organiseren en om meer beroemdheid te vergaren. Al te vaak zie je dat dat de motivatie is van mensen die naar dergelijk dingen op zoek zijn. Het leven van een monnik is eerder om te leren tevreden te zijn met weinig. We leven in een maatschappij waar bijna alles gekocht moet worden. We leven in een gigantische rijkdomsbubbel, hetgeen van ons niet noodzakelijk sterkere mensen maakt. De Millennial generatie wil graag een impact hebben en liefst direct, maar je moet bereid zijn jezelf daarin uit te wissen. Je eigen creatieve zelf zal wel zijn plekje hebben, maar los van jou, wat voor wereld wil je voor achterlaten? Kijk gewoon wat er nodig is en gebruik je gezond boerenverstand.”

Tips van Dries als je op zoek bent om je aan te sluiten bij een groepering – gemeenschap -organisatie:

1. Let op voor Charlatans, denk goed na voor je iemand, die een leraar claimt te zijn, vertrouwt.

2. Verifieer goed de organisatie – gemeenschap – groepering die jou interesseert VOOR je je engageert.

3. Check de structuur van de organisatie. Kan deze verder blijven bestaan als de leraar wegvalt? Check de tradities en waarop deze gebouwd zijn. Let op als die afhangt van één persoon (goeroe gevaar). De traditie moet sterker zijn dan één persoon.

4. Ga op zoek naar een levende link met de leraar die ook hen nog begeleidt en waaruit zij ook nog wijsheid kunnen blijven putten. Ook leraars blijven leerling!

5. Wanneer je wordt uitgenodigd om voor jezelf te denken en een vrij gevoel kan behouden, is dat een positief signaal. Ingesloten worden in dogmatisch denken kan een rode vlag zijn.

Dit interview kwam tot stand zonder enige financiële ondersteuning.

Vond je het interessant? Dan kan je dit artikel waarderen met een vrije donatie via crowdfunding.

Crowdfunding Koalect

Naar de website

Op de hoogte blijven via de nieuwsbrief? Schrijf je hier in.

Wil je bijdragen en mee het nieuws uit de streek diverser maken? Dat kan via Koalect crowdfunding of doneren via QR – Paypal.

Crowdfunding Koalect

Donaties via QR – Paypal

Waarom we soms liever niet weten

INTERVIEW | 4 min. read

Het interview vertrekt van een quote van Simone de Beauvoir, een Franse filosoof en feminist: ‘De grootste plaag van de mensheid is niet onwetendheid, maar de weigering om te weten.’(Origineel – Le principal fléau de l’humanité n’est pas l’ignorance, mais le refus de savoir ) en plaatsen we binnen de huidige tijdsgeest.

Waarom zijn we als mens zo hardleers en moet er eerst een bom ontploffen voor we enige voet uit onze comfortzone zetten om actie te ondernemen en empathie te kunnen voelen voor onze medemens? Waarom kiezen mensen ervoor om zich af te sluiten voor wat er zich voor hen afspeelt, terwijl er binnen de samenleving ook een grote dorst is naar waarheid en solidariteit. Is het vanuit een gebrek aan empathie, laksheid of een gevoel van onvermogen? Is er een logische verklaring voor liever niet te willen weten?

We vroegen het aan Larissa Steenhaut, master in de klinische psychologie en psychotherapeute met praktijkervaring in menselijk gedrag en trauma.

©Foto Oscar Keys UnsplashWoman covered with blindfold

Je bent klinisch psycholoog, maar ook traumatherapeute. Kan je dat even kaderen?

“Momenteel werk ik in een instelling waar ik jongeren met gedrags –en emotionele moeilijkheden ondersteun. Daar ben ik gekoppeld aan twee leefgroepen van meisjes tussen 12 en 18 jaar. Een groot deel van hen werd in deze instelling geplaatst door de jeugdrechter omwille van een verontrustende thuissituatie. Daarnaast werk ik als psychotherapeute en EMDR-therapeute in een privépraktijk voor zowel jongeren als volwassenen. In beide settings werk ik vooral rond trauma. Specifiek aan traumatherapie is dat dit uit drie fasen bestaat; de stabilisatiefase – brengt focus op het hier en nu, het versterken van de resources en het veiligheidsgevoel, de verwerkingsfase – confrontatie met het trauma, en de integratiefase – traumatische ervaringen een plaats geven binnen het dagelijkse leven.”

Komen er in deze tijd meer trauma’s bij?

“In de praktijk krijgen we in elk geval wel meer aanmeldingen. Mensen die een trauma hebben opgelopen, leven meestal voor een groot stuk in het verleden. Dit komt onder andere door flashbacks, nachtmerries en herbelevingen die zich blijven opdringen. Mensen die iets ergs hebben meegemaakt, gaan dit in eerste instantie zelf trachten een plaats te geven door zich te focussen op dingen die buiten henzelf liggen. Door de Corona crisis is er veel afleiding weggevallen, waardoor er heel wat problemen naar boven kunnen komen. Op het moment dat men het gevoel heeft dat men het niet meer alleen aankan, gaat men dus makkelijker een afspraak maken. Wat ik vooral in mijn praktijk ervaar, is intra-familiaal geweld; dat is geweld tussen volwassenen waarbij het kind of de jongere dan ook getuige of slachtoffer is. Childfocus heeft 125% meer dossiers opgestart, waarbij de seksuele integriteit van jonge kinderen aangetast werd. Ook dat is een probleem dat meer en meer voorkomt. ”

Komen problemen meer aan het licht doordat mensen gedwongen worden door de lockdown meer ‘naar binnen’ te gaan?

“Mensen worden prikkelbaarder en door de maatregelen wordt hen de controle afgenomen, hetgeen zorgt voor een groter gevoel van machteloosheid. Dat kan ook een voedingsbodem voor depressie zijn. We halen onze energie wel vaak uit sociale contacten en onze interesses of hobby’s. Veel mensen blijven ook gewoon goed verder doen, maar Corona heeft het iedereen zoveel moeilijker gemaakt. Toch merkte ik op dat er ook heel wat mensen met trauma zijn die eigenlijk wel tot rust kwamen toen alles stil viel. Dit heeft te maken met de sociale druk die wegviel om steeds te moeten meedoen. Hierdoor moesten ze naar de buitenwereld geen masker meer opzetten. Dit gegeven is vaak eerder een geruststelling, omdat ze dan minder geconfronteerd werden met de belemmerende effecten van het trauma. Terwijl er anders meer een gevoel van eenzaamheid en onbegrip leefde, valt dit sommigen minder zwaar, omdat iedereen het nu op zijn manier moeilijk heeft.”

© Quote van Simone de Beauvoir  –  Franse filosoof en feminist (1908-1986) 

De quote van Simone de Beauvoir is tijdloos. Mensen willen soms bepaalde dingen liever niet weten. Hoe zou dat komen volgens jou?

“Vaak willen mensen de waarheid niet onder ogen zien, omdat het te moeilijk of te zwaar is, of dat het teveel van hen vraagt. Er is angst dat deze waarheid hen zou kunnen schaden. Sommige mensen blokken het af, omdat ze bang zijn om in te storten. Het bewust dragen van oogkleppen laat negativiteit niet toe, op deze manier beschermen ze zichzelf. Als we als mens bang zijn dat er iets ergs zou kunnen gebeuren, gaan we situaties liever vermijden. Uit de praktijk zien we nochtans wel dat meer te weten komen over die angst eigenlijk net de spanningen kan doen zakken. Wanneer je dan de dingen zelf gaat invullen, wordt het op termijn vaak destructiever.”

“Als psychotherapeut en psycholoog werken we heel vaak rond angsten en trachten we cliënten zich zo veilig mogelijk te laten voelen. Ik merk in de praktijk wel dat wanneer je in de buurt komt van een moeilijkheid of trauma mensen zich makkelijk gaan afsluiten. Je ziet hen dan dissociëren (zichzelf psychisch gedeeltelijk afscheiden van wat er met hen of om hen heen gebeurt). Dat is iets wat ze tijdens het trauma of moeilijke situatie hebben moeten doen om te kunnen blijven functioneren. We pakken dit proces steeds heel geleidelijk en respectvol aan. Het geven van psycho-educatie over trauma,  het opbouwen van een vertrouwensrelatie en het installeren van veiligheid spelen hierbij een essentiële rol. Ik merk dat als mensen zich bewust worden dat hun reacties juist normale reacties zijn op abnormale gebeurtenissen, dit toch vaak rust kan brengen.”

Als je rondkijkt zie je meer en meer psychische problemen, welke leeftijdsgroep treft dit het meest?

“Ik merk dat er zich veel jongeren en tieners aanmelden die worstelen met depressiviteit, slecht slapen en zelfmoordgedachten. Het is ook normaal dat het vooral die leeftijdsgroep treft, omdat zij volop in ontwikkeling zijn en door de vele maatregelen worden belemmerd. Zonder connectie met bijvoorbeeld leeftijdsgenoten ervaren ze een leegte en het voortdurend veranderen van wat mag en niet mag heeft daar ook een belangrijke invloed op. Je merkt ook vaak chaos in hun hoofd. Hoewel de pandemie voor niemand een fijne ervaring is, zijn het vooral de jongere mensen die nog niet de manieren hebben gevonden om er mee om te gaan, volwassenen slagen hier meestal wat beter in. Jongeren zouden nu het meeste moeten kunnen terugvallen op hun gezin, maar waar de thuissituatie niet goed loopt door bijvoorbeeld agressie of misbruik, kan dit wel problematische gevolgen hebben. Die beschermende factor is hier heel belangrijk.”

Hoe komt het dat mensen zich toch liever isoleren en terugtrekken in de comfortzone dan zich solidair op te stellen om zelf een bijdrage te leveren. Is het gebrek aan empathie, laksheid of een gevoel van onvermogen?

“Het is moeilijker om na te denken over anderen, wanneer je je zelf niet goed in je vel voelt. Als je zelf het gevoel hebt dat je een slachtoffer bent, is het moeilijk om empathie te tonen voor anderen en iets te ondernemen. De media speelt daar een hele grote rol in. De angst die via dat kanaal verspreid wordt, werkt vaak verlammend. Het feit dat je geen controle hebt over heel de situatie, geeft het gevoel dat je niets kan doen en gewoon alles moet ondergaan. De media betrekt mensen vooral bij wat er niet wordt gedaan, maar de nadruk zou, volgens mij, meer moeten liggen op de goede zaken die kunnen voortkomen uit solidariteit. Maatregelen die steeds verstrengd worden, werken heel demotiverend en het wordt heel lastig als je voelt dat je meer geeft dan krijgt; mensen gaan zich er bijgevolg ook naar gedragen. Het samenwerken en iets bijdragen moet meer beloond worden en positief in de verf gezet worden. We mogen ook niet onderschatten wat angst doet met mensen. Het is bewezen dat angst de intellectuele capaciteit minimaliseert. Angst sluit hogere breinregio’s af (zoals plannen, creativiteit, het inschatten van lange termijn gevolgen), waardoor mensen ook niet meer kunnen redeneren op hun maximale capaciteit. Dus het feit dat mensen vooral binnen eigen huis, tuin en keuken gaan kijken, heeft hiermee te maken. Op deze manier kan men ook niet kijken naar wat goed is voor iedereen en gaat men zich minder solidair opstellen.”

‘We hebben nood aan een empathie-pandemie’

“Empathie is iets dat aan de basis ligt voor alles wat goed is in de maatschappij en deze laat functioneren; vertrouwen, altruïsme, liefde, goede doelen, hebben allemaal te maken met empathie. Het feit dat mensen minder empathisch worden ligt aan de basis van veel problemen; zoals sociale problemen, misdaad, racisme, kindermisbruik. Het is heel belangrijk om bij stil te staan en je ook eens te verplaatsen in de situatie van iemand anders. Niet makkelijk, want wat goed is voor de groep is niet altijd goed voor het individu. We moeten veel opofferen voor een ander, maar als mensen dan zien dat anderen zich daar niet aan houden, krijg je natuurlijk veel weerstand. Als we samenwerken komen we verder, momenteel is het jammer genoeg nog meer ieder voor zich. Empathie is nochtans noodzakelijk om te kunnen groeien als samenleving.”

Praktische tips van Larissa om makkelijker door deze periode heen te geraken:

 

1. Het is essentieel om een gevoel van controle te hebben over de kleine dingen en de focus te verleggen naar wat je wél kan doen en waar je wél controle over hebt, hoe klein die dingen ook zijn. Het gaat je helaas niet gelukkig maken als je enkel kijkt naar wat je wordt afgenomen, dat gaat het machteloze gevoel alleen maar vergroten.

2. Je kan overwegen om eens iets anders te gaan doen dan wat je gewend bent en zo je sleur doorbreken. Ook buiten komen is belangrijk en je niet opsluiten is essentieel. Buitenlucht en in de natuur gaan in tijden van lockdown kan wonderen doen.

3. Het DELEN van smart. In contact blijven met elkaar, maar dan niet op een oppervlakkige manier. Eens meer vragen ‘ hoe gaat het nu écht met jou?’ Mensen trekken zo snel conclusies over anderen zonder te kijken wat erachter zit. Dus regelmatig de ‘happy face’ eens afzetten en dit ook delen met mensen die je vertrouwt. Het kan weer een nieuwe connectie brengen wanneer je ook eens met elkaar deelt wat minder goed gaat. Het kan een opluchting zijn als je beseft dat ook anderen zich niet altijd goed voelen. Je veroordeelt jezelf daardoor dan minder streng en dan denk je minder dat er iets mis is met jou.

4. Een boekje aanleggen waarin je dagelijks 3 dingen opschrijft die goed zijn. Het vraagt een actie van de mens om zich te verzetten tegen negatief denken. Voor het slapen over die positieve dingen nadenken, kan de oogkleppen afdoen en een frisse blik geven.

5. BOEKTIP voor inspiratie: ‘Born for love’ van Bruce Perry en Maia Szalavits is een eye opener en aanrader voor deze tijdsgeest. Het verklaart veel over het gedrag van mensen en helpt om situaties op een andere manier te bekijken.

Dit interview kwam tot stand zonder enige financiële ondersteuning.

Vond je het interessant? Dan kan je dit artikel waarderen met een vrije donatie via crowdfunding.

Crowdfunding Koalect

Naar de website

Op de hoogte blijven via de nieuwsbrief? Schrijf je hier in.

Wil je bijdragen en mee het nieuws uit de streek diverser maken? Dat kan via Koalect crowdfunding of doneren via QR – Paypal.

Crowdfunding Koalect

Donaties via QR – Paypal

Is factchecken dweilen met de kraan open?

INTERVIEW | 4 min. read

Factchecking is IN. In tijden van grote onzekerheid proberen we houvast te zoeken tussen de grote toestroom aan informatie die via verschillende mediakanalen binnenkomt. Meer en meer mensen geven aan verward te zijn en gaan dan aan zelfonderzoek doen om feiten van misinformatie te onderscheiden. Toch stellen heel wat mensen zich vragen bij die factchecking. Waar moet je op letten, waar vind je betrouwbare bronnen en hoe kan je misinformatie herkennen?

We vroegen het aan onderzoeksjournalist, Brecht Castel, die factcheckt voor Knack.

©Foto Misflits – Research: Factchecking

Wat is jouw opleiding? Welke achtergrond moet een goede factchecker hebben?

“De meeste factcheckers zijn journalisten. Social netwerk sites werken voor dit soort werk vaak samen met onafhankelijke journalisten. Zelf heb ik politieke wetenschappen gestudeerd en dan geschiedenis, dan nog een Postgraduaat internationale onderzoeksjournalistiek. Van daaruit ben ik begonnen als freelance journalist. Sinds mei 2020 ben ik vast aan de slag bij Knack waarvoor ik zowel factcheck als andere artikels schrijf.”

Welke factchecks doe je precies? En hoe gaat dat in zijn werk?

“Facebook werkt sinds een aantal jaar internationaal samen met een aantal factcheckers om labels te plaatsen bij de misinformatie die circuleert op hun netwerk. De partners voor Vlaanderen zijn Knack, DPA (Deutsche Press – Agentur) en AFP (Agence France – Presse). Facebook plaatst niet zelf de labels bij bepaalde berichten. Ze vragen dit aan journalisten in verschillende landen over heel de wereld. Ze hebben mensen nodig die de lokale context kennen, zoals onder andere de taal en de politieke situatie. Facebook werkt niet zomaar met gelijk welk mediabedrijf samen. Zij moeten IFCN (International Fact Checking Network) proof zijn. Dat betekent dat je bepaalde richtlijnen moet volgen, zoals onder andere transparantie in je financiering, dat je bronnen moet plaatsen onder elke factcheck en dat er een evenwicht moet zijn in de keuze van onderwerpen.”

“Bij Knack doen wij minstens 15 checks per maand met twee personen. We worden, in tegenstelling tot wat mensen vaak denken, op geen enkele manier beïnvloed op wat we moeten checken en wat niet. We kiezen dus volledig zelf onze onderwerpen en waarover we schrijven en ook hoe we dat gaan schrijven. Transparantie is in alle gevallen vereist. Iedereen die wil kan ook factcheckers factchecken. Door onze transparante manier van werken kan iedereen ons onderzoek nadoen en zelf nagaan of wat we schrijven klopt.”

“Er is jaarlijks een doorlichting van het factchecken door IFCN. Voldoe je dan nog aan de richtlijnen, ontvang je een IFCN – goedkeuring. Facebook betaalt Roularta om die factchecks te maken, maar als een Facebookgebruiker een label tegenkomt en er is een doorverwijzing naar een artikel van Knack, zijn die voor iedereen toegankelijk en niet geblokkeerd achter een betaalmuur.”

Hoe begin je aan zo’n factcheck?

“We hebben een tool van Facebook waarin berichten worden aangeduid als er een vermoeden is van misinformatie en die veel gedeeld worden. Zo zijn er honderden berichten per dag waar wij er dan een paar uitpikken. We kunnen ook berichten, die niet worden opgepikt door algoritmes, toevoegen in deze tool.”

“Je stelt jezelf vragen zoals; wat lijkt er te kloppen, wat denk je zelf bij een bericht dat je leest. Dan ga je niet zozeer naar reeds verschenen artikels zoeken, maar ga je eerder naar primaire bronnen op zoek; oorspronkelijke documenten, overheidsbronnen. Je probeert dan ook de persoon die de claim doet te contacteren; we vragen hen dan wat of wie de bron is. Het lukt echter niet altijd om die te pakken te krijgen. Wanneer het om een anonieme persoon gaat, kunnen we dat natuurlijk niet verifiëren. Soms gaat dat bijvoorbeeld om een foto die uit de context is gehaald, waar dan een eigen tekst aan is gegeven. Soms zijn het verzonnen dingen. Vaker zijn het dingen waar wel enige waarheid in zit, maar die dan volledig verdraaid werden en bij elkaar zijn gezet, waardoor het dan toch niet klopt. Wij proberen dit dan zo helder mogelijk neer te schrijven en aan de hand van bronnen en interviews met experts de feiten te achterhalen.”

Het vertrouwen in de overheid is soms ver te zoeken bij mensen. Hoe betrouwbaar zijn overheidsbronnen in de context van factchecking?

“Overheidsbronnen kunnen een goede primaire bron zijn, maar ook die bekijken we kritisch door er experts naar te laten kijken. Je probeert steeds zover en zoveel mogelijk alles kritisch in vraag te stellen en vanuit verschillende oogpunten te belichten. Corruptie van de overheid bewijzen is natuurlijk moeilijk. Vaak gaat onze factchecking meer over evidentere dingen zoals de verschillende verhalen over de vaccins, waarin bijvoorbeeld verschillende beweringen naast elkaar worden gelegd. We gaan zoveel mogelijk wetenschappelijke experts aan het woord laten, die er echt iets van kennen, en hen laten uitleggen waarom iets al dan niet klopt.”

Welke andere tools gebruik jij zelf nog?

“Aan de hand van open source intelligence of reverse image search ga ik op zoek naar de originele herkomst van een video of foto. Ik gebruik voor mijn factchecking meestal een combinatie van verschillende tools, praten met experts, raadplegen van wetenschappelijke literatuur en de originele bron zoeken, waarmee ik dan achterhaal waar de misinformatie is ontstaan.”

Is factchecken dweilen met de kraan open?

“Voor een deel wel, want met het kleine aantal factcheckers in Vlaanderen kan je natuurlijk niet alle misinformatie tegengaan. We kunnen uit honderden berichten per dag maar een aantal berichten onderzoeken, maar het is wel heel nuttig om misinformatie die heel veel circuleert te ontkrachten en een tegenantwoord te bieden. Door de manier waarop we onze factchecks doen, probeer ik de lezer ook altijd handvaten te bieden om zelf kritisch naar berichten te kijken. Essentieel is de bron checken waaruit het voortkomt en je afvragen of de website waaraan een bericht gelinkt is van erkende wetenschappers is of eerder een louche complotsite. In elke factcheck leg ik uit hoe ik een onderzoek gedaan heb. Ik hoop wel dat, door het lezen van een factcheck, mensen kritischer gaan kijken en ook gaan herkennen waarop ze moeten letten wanneer ze aan zelfonderzoek willen doen. Wanneer je niet direct meegaat in een stelling of je niet onmiddellijk laat leiden door een bericht, maar tracht echt heel kritisch te zijn, kan dat een grote bijdrage leveren aan factchecken. Je moet het wel serieus nemen en steeds streven naar diepgang.”

Staat complotdenken en factchecking lijnrecht tegenover elkaar? Zit er waarheid in complotdenken?

“Sommige dingen zijn waar. Een foto kan werkelijk echt zijn, maar daarom is hetgeen erbij staat nog niet waar. Complotdenkers zien vaak veel verbanden, die er soms zijn, maar soms ook niet; die worden er dan bij verzonnen en worden in een helder en aannemelijk verhaal gegoten. Factcheckers staan niet lijnrecht tegenover complotdenkers. Wij kijken gewoon naar wat zij zeggen en kijken dan kritisch na, volgens hierboven vermelde methoden, of het klopt. Het grote verschil tussen een onderzoeksjournalist en een complotdenker is dat een onderzoeksjournalist die een straffe stelling doet ook met hele straffe bewijzen moet komen. Bij complotdenkers zijn er heel straffe stellingen, maar blijven de bewijzen vaak uit.”  

Geloof je zelf wat je factcheckt? 

(Lacht) “We beginnen altijd bij een bericht zonder te weten of het waar is of niet. Soms heb je een voorgevoel, maar dat mag niet in de weg staan om kritisch te zijn. Vaak begin je aan iets en weet je echt niet waar je zal eindigen. Ik kan pas zeggen of ik zelf iets geloof nadat een volledig onderzoek is afgerond.”

Tips van Brecht als je zelfonderzoek wil doen:

 

1. Lees een aantal factchecks en kijk welke technieken worden toegepast.

2. Gebruik de omgekeerde zoekfunctie voor afbeeldingen (om de bron te vinden).

3. Zoek actief tegenbewijzen over een stelling (je zal altijd bronnen vinden die het bericht bevestigen, maar daarom zij die niet juist).

4. Kijk kritisch naar alle feitelijke zaken die worden gezegd.

5. Neem dingen die je leest niet zomaar aan.

6. Kijk kritisch naar claims die bij een foto staan.

Dit interview kwam tot stand zonder enige financiële ondersteuning.

Vond je het interessant? Dan kan je dit artikel waarderen met een vrije donatie via crowdfunding.

Crowdfunding Koalect

Naar de website

Op de hoogte blijven via de nieuwsbrief? Schrijf je hier in.

Wil je bijdragen en mee het nieuws uit de streek diverser maken? Dat kan via Koalect crowdfunding of doneren via QR – Paypal.

Crowdfunding Koalect

Donaties via QR – Paypal

‘Vraagdeken’ voor slachtoffers onopgeloste misdaden: op zoek naar vaste locatie

INTERVIEW | 5 min. read

December 2018 maakte Ingrid Mulder, nabestaande en zus van Marie-Jeanne Mulder, één van de slachtoffers van de Bende van Nijvel van 9 november 1985 op de Delhaize te Aalst een Vraagdeken (foto). Een deken van meer dan tien meter bestaande uit 300 lapjes uit kledingstukken van overledenen van onopgeloste misdaden en mensen die een geliefde verloren. Dit staat symbool voor het verdriet dat nooit helemaal voorbijgaat. Dergelijke wonden kunnen niet helen als ze geen afsluiting of plaats krijgen.

In totaliteit zijn er 28 doden gevallen tussen 1982 en 1985. 35 jaar na de feiten is de zaak nog steeds onopgelost. Volgens minister Geens zou de zaak nu in de beste handen zijn en zullen de daders gevat worden nog voor de verjaring in 2025. Voor nabestaanden blijft het verdriet hangen in de schaduw, de stilte is onaanvaardbaar.

Ingrid wil nu voor het Vraagdeken een waardige vaste locatie vinden, als herdenking, maar ook om iedereen die daar nood aan heeft, zich erdoor te laten omhullen.

©Foto Misflits – Begraafplaats Aalst – Herdenkingssteen slachtoffers – Achteraan het tien meter lange Vraagdeken

Het vraagdeken is november 2018 gemaakt en je hebt het meegenomen naar verschillende plaatsen en geëxposeerd. Hoe lang heb je eraan gewerkt?

“Het deken is meegenomen naar De Witte Mars in Brussel en is tentoongesteld in De Werf in Aalst. Daarnaast hebben we het meegenomen naar Brussel, ter herdenking van de terroristische aanslag in het metrostation en ter ondersteuning van Philippe Vandenberghe die in hongerstaking is gegaan na de aanslag in Zaventem maart 2016 en ook in De Watertoren die in Aalst buurtwerking organiseert. Er zitten lapjes in van kledingstukken van dierbaren, met een diepe emotionele waarde voor de nabestaanden.”

©Foto Misflits – Detail Vraagdeken

“Deze lapjes kwamen na de oproep op Radio 2 en Social media uit alle uithoeken van het land, zelfs van mensen van wie je het niet zou verwachten. Die lappen, elk 20 op 20 centimeter, werden één voor één aan elkaar gezet. In totaal ben ik daar een zestal weken mee bezig geweest. Het zou jammer zijn mocht de oorspronkelijke bedoeling (soelaas bieden in tijden van diep verdriet) verloren gaan en blijven liggen op mijn zolder.”

Het Vraagdeken moet nu een vaste plek krijgen, als een soort monument, en dat er mensen naartoe kunnen om zichzelf een moment van rouw toe te staan

Je wil het deken een vaste plek geven, heb je al een idee waar en hoe?

“Ik wil dit absoluut doen, niet alleen omdat mijn zus één van de acht slachtoffers was van de bloederige overval in Aalst, maar ook voor alle anderen die hebben geleden en hun bijdrage hebben gedaan door een stukje herinnering van hun geliefden weg te schenken voor het deken. We moeten dit eren en blijven herdenken. Ik heb in mijn zoektocht naar een vaste plaats de burgemeester en schepen van Aalst al eens aangesproken, maar daar liepen we jammer genoeg op een dood spoor. Ik heb ook contact genomen met Philippe Vansteenkiste van V-Europe (vereniging voor slachtoffers van terreur) die het zag in een buurthuis in Brussel, maar ook daar kwam geen verder gevolg aan.”

Bij justitie lijkt het moeilijk aan te kloppen, kan de gemeente iets doen?

“Ten opzichte van justitie zijn we het als groep van nabestaanden moe om steeds via de pers te weten te komen wanneer er een nieuw onderzoek start en wat de vorderingen zijn; zoals bijvoorbeeld de opgravingen in Précot van juli 2020. Minister Geens had jaarlijkse transparantie beloofd aan alle nabestaanden. Ondertussen zijn we drie jaar verder en blijft het van daaruit heel stil. Het vreemde is dat de ene soms wel en de andere niet gecontacteerd wordt, terwijl al onze namen gekend zijn. Ik vraag me af hoe ze dit in werkelijkheid opvolgen. Een groepsmail opmaken met een stand van zaken en naar iedereen tegelijk sturen, lijkt me nu niet zo heel moeilijk. Wij begrijpen zoiets niet.”

“In de gemeente Aalst ben ik tijdens een receptie van de jaarlijkse herdenking op de begraafplaats uitgenodigd geweest om naar het kabinet te komen van burgemeester D’Haese. Maar dat is er nooit van gekomen, de interesse van die kant was niet voelbaar. Tijdens de laatste herdenking op 9 november 2020 bezocht de burgemeester van Aalst de herdenkingssteen en legde er een bloemenkrans neer; iedereen die wou kon daar ook iets neerleggen. November 2019 kaartte hij de oorverdovende stilte aan bij justitie, maar naar ons toe is hij zelf ook heel stil geweest.”

Er werd tot nu toe vaak geconcentreerd op Aalst; er waren eerder al 20 slachtoffers gemaakt. De Delhaize van Overijse en Eigenbrakel waren het slachtoffer in diezelfde periode.

Word je als nabestaande die eeuwige strijd nooit moe?

“Dat gaat in golven. Het herhaaldelijke opbotsen tegen de hoge taaie muren geven de grootste ontmoediging. Na dat korte contact op de receptie was ik het even helemaal moe, nadat ik ook daar het gevoel had een hele muur te moeten afbreken.”

“Ook de pers lijkt het verhaal moe te worden. Het is wel de druk vanuit de pers die ervoor kan zorgen dat er beweging komt bij hoger hand. Maar als de pers gemanipuleerd wordt of het opgeeft, staan wij ook nergens.”

“Waar ik nu nog voor wil vechten is een vast locatie vinden voor het Vraagdeken en ermee doen waarvoor het gemaakt werd. Wanneer dit gevoel weer opflakkert, voel ik wel  dat de vechtlust toch niet helemaal weg is.”

‘Soms ben ik het volledig moe dat ik steeds een volledige muur moet afbreken, voordat ik weer een klein stukje verder kan’

Het vraagdeken ligt momenteel op jouw zolder. Heb je dan ook het gevoel dat dat verdriet van jezelf en de anderen opgeborgen blijft?

“Ik heb het deken gemaakt om mensen hun verdriet te laten omhullen. Het gaat dus over lapjes van echte kledingstukken van overledenen en heeft een belangrijke emotionele waarde voor nabestaanden. Dat mag echt niet verloren gaan.”

“In alle lagen van de bevolking zit er verdriet en hebben mensen nood aan omhulling. Het gaat om de herdenking en om even meegedragen te worden door anderen, niet zozeer om in het verleden te blijven hangen. We horen zo vaak over herdenkingen van wereldoorlogen, maar het verdriet dat hier nog is, moet ook zijn plaats krijgen.”

“Over verdriet hangt steeds een taboe; je mag daar niet te lang over praten. De eerste weken vlak nadat iemand gestorven is, wordt dat wel aanvaard. Nadien moet je al snel weer flink zijn en vooruit kunnen. De realiteit is anders; een dierbare verliezen is een rouwproces dat soms levenslang duurt.”

Welke pistes wil je nog bewandelen om van dit Vraagdeken een monument te maken?

“Ik zou het liefst een plaats vinden waar er ruimte is om het Vraagdeken in een spiraal te zetten, zodat je er helemaal in kan gaan en in het midden even kan zitten waar niemand je ziet. Op de expo in De Werf in Aalst lagen er twee boeken bij; een emotie-boek en een boek voor justitie, waarin mensen hun grieven konden neerschrijven. Waarschijnlijk ga ik dat opnieuw doen. Daarnaast wil ik graag nog samenwerken met David Van de Steen, overlever van de Bende van Nijvel en hoofdpersonage uit de film ‘Niet Schieten’.”

Naar de foto’s

Naar de website

Dit interview kwam tot stand zonder enige financiële ondersteuning.

Vond je het interessant? Dan kan je dit artikel waarderen met een vrije donatie via crowdfunding.

Crowdfunding Koalect

Op de hoogte blijven via de nieuwsbrief? Schrijf je hier in.

Wil je bijdragen en mee het nieuws uit de streek diverser maken? Dat kan via Koalect crowdfunding of doneren via QR – Paypal.

Crowdfunding Koalect

Donaties via QR – Paypal